Er zijn 5 fasen van rouwverwerking volgens het bekende model van Elisabeth Kübler-Ross
- Ontkenning: De werkelijkheid nog niet willen of kunnen geloven.
- Woede: Boosheid over het verlies of de verandering.
- Onderhandelen: Proberen het verlies te beïnvloeden of uit te stellen.
- Depressie: Het verdriet en de zwaarte van het verlies voelen.
- Aanvaarding: Het verlies accepteren en leren ermee te leven.
Ik heb 3 stadia van verwerking in 3 beelden, met mijn achtergrond, verwoord en uitgebeeld.
Ieder werk stelt een verwerkingsproces voor.
Beeld 1: een verscheurd hart, onmacht en woede
Beeld 2: verdrietig en gebroken, haar tranen opvangend
Beeld 3: contemplatief en berustend
Ze zijn symbolisch met elkaar verbonden...touw met een rode draad.
Ze horen bij elkaar in een verwerkingsproces.
Natuurlijk gaan verwerkingsprocessen niet altijd zo en kunnen in elkaar overvloeien of soms overslaan.
De beelden zijn opgebouwd uit solide papier‑maché en papierpulp, beschilderd met acrylverf en afgewerkt met UV‑vernis.
De textuur en kleurcontrasten versterken de kwetsbaarheid en intensiteit van dit beginpunt in het verwerkingsproces.
Interesse in meer, scrol naar beneden en lees dan verder :-)
Extra informatie
Dit drieluik bestaat uit drie sculpturen die samen een doorlopende innerlijke reis verbeelden: van verscheurdheid, via kwetsbaarheid, naar verstilling en aanvaarding. Elk beeld toont een eigen fase van emotionele verwerking, verbonden door een rode draad die als symbool door alle werken heen loopt. Hoewel de drie beelden een sterke onderlinge samenhang hebben, is ieder werk volledig autonoom in betekenis, vorm en uitstraling. Ze kunnen daarom zowel als geheel worden aangekocht als los van elkaar, afhankelijk van de voorkeur van de verzamelaar of de ruimte waarin het werk wordt geplaatst.
Dit beeld vormt het beginpunt van de serie en verbeeldt de eerste fase van rouwverwerking: het moment waarop verdriet, ontreddering en innerlijke chaos nog rauw en overweldigend aanwezig zijn. De figuur kijkt met grote, open ogen naar een werkelijkheid die nog niet te bevatten is. De mond is gespannen, alsof woorden tekortschieten om de pijn te benoemen.
In haar handen houdt ze een verscheurd hart vast. Het is één hart, maar gebroken in twee delen — een symbool voor een innerlijk dat uit elkaar is gevallen. Het staat voor het besef van verlies dat nog maar net begint door te dringen, en voor de kwetsbare poging om de stukken vast te houden terwijl ze eigenlijk niet meer passen zoals voorheen.
Het haar, dat zich in rode, kronkelende strengen omhoog beweegt, weerspiegelt de emotionele verwarring van deze fase: gedachten die alle kanten op schieten, gevoelens die nog geen richting kennen. Het is het moment waarop de eerste barst zichtbaar wordt, maar de betekenis ervan nog niet te dragen is.
Het beeld is opgebouwd uit solide papier‑maché en papierpulp, beschilderd met acrylverf en afgewerkt met UV‑vernis. De textuur en kleurcontrasten versterken de kwetsbaarheid en intensiteit van dit beginpunt in het verwerkingsproces.
In dit tweede beeld komt het moment naar voren waarop verdriet niet langer wordt weggeduwd, maar voorzichtig wordt vastgehouden. De figuur buigt zich naar haar eigen tranen toe, alsof ze probeert te begrijpen wat ze met zich meedraagt. De koorden die door haar handen glijden — wit met een rode draad — verbeelden de spanning tussen breekbaarheid en kracht, tussen loslaten en vasthouden.
Het werk toont een fase waarin emoties tastbaar worden. Verdriet krijgt vorm, structuur en gewicht. Door de tranen op te vangen, ontstaat een intiem gebaar van zelfzorg: erkennen wat pijn doet, zonder eraan ten onder te gaan. De houding van het hoofd, de aandachtige blik en de zachte spanning in de handen maken dit tot een stil moment van innerlijke eerlijkheid.
Als onderdeel van het drieluik vormt dit beeld de overgang tussen woede en aanvaarding. Het is het middengebied waar de storm gaat liggen en de kwetsbaarheid zichtbaar wordt. De rode draad die door alle werken loopt, verbindt de fasen tot één doorlopend verhaal van verwerking, herinnering en groei.
In dit derde beeld komt een stille, innerlijke helderheid naar voren. De figuur houdt de rode draad en de witte koorden niet langer vast uit noodzaak, maar uit bewustzijn. Wat eerder spanning was, wordt nu een ritme — een zachte ordening van wat doorleefd is. De handen openen zich als poorten van energie: het symbool van het stuitchakra in de ene hand, het hoogste chakra in de andere, beide gedragen door het Ohm-teken, de oerklank van verbinding.
De figuur staat in het moment waarin lichaam, herinnering en energie elkaar raken. De rode draad beweegt niet meer als last, maar als een trilling die door het hart stroomt en terugkeert naar stilte. De blik is naar binnen gericht, maar straalt naar buiten: een rust die niet passief is, maar aanwezig, geworteld en helder.
Als afsluiting van het drieluik vormt dit beeld de overgang naar aanvaarding. Hier wordt niets meer bestreden. Hier wordt alles gezien. De storm is geluwd, de pijn is erkend, en wat overblijft is een zachte, open ruimte waarin de mens zichzelf opnieuw vindt — verbonden met het aardse én het hogere, gedragen door één doorlopende draad van bewustzijn en groei.




















